Mozaiek | ||
Het mozaiek op de voorgevel van de kerk heeft betrekking op de gelijkenis van De Zaaier (Matthëus 13). Ook de PKN gemeente te Ens heeft als naam 'De Zaaier'. | ||
Omroep Flevoland | ||
Een fragment uit het programma Architectuur Dichtbij van Omroep Flevoland (klik hier voor de volledige uitzending). | ||
Mozaiek in het nieuws | ||
| Op diverse websites is de laatste tijd aandacht besteed aan het baksteenmozaiek van de voormalige NH kerk in Ens. Het meest recent is een publicatie op een nieuwe site over wandkunst. Daarnaast staat het mozaiek ook een site over kunst in Flevoland (ga naar Ens) en op een site over monumentale wandkunst. di. 1 apr. 2008 | ||
Architect Chr. Nielsen over het mozaiek | ||
![]() Foto: Rins Boschma | ||
Is er een verklaring voor nodig waarom in zo'n nieuw dorp een oud verhaal nog eens wordt verbeeld? Het was water - het is land. ,,Een landman ging uit om te zaaien.'' Het beeld van de realiteit en dat van de kerkelijke roeping zijn elkaar nimmer zo dicht genaderd. Klik hier voor het volledige artikel. | ||
De mozaiek | ||
6 juni 1952 Gaan we in gedachten het binnenpleintje voor de hoofdingang van de kerk staan, dan zullen we rechts van de dubbele deur een mozaiek zien, voorstellende ,,De Zaaier". Deze mozaiek welke gemetseld zal worden van alle mogelijke gekleurde stukjes steen wordt ontwerpen door de kunstenaar B.B. Hendriks uit Amsterdam. Een dergelijke decoratieve versiering van kerkgebouwen is iets volkomen nieuws en vermoedelijk wel een unicum in ons land. "Enser Kerkepad" 24 april 1988 Als we voor de ingang staan, zien we naast en boven de deuren een mozaiek, voorstellende de gelijkenis van de zaaier, uit Matt. 13: 1-9. De afbeelding toont alle omstandigheden, waarin het zaad terecht kan komen: de vogels, die naast de weg het zaad oppikken, de zon die het juist ontkiemde zaad verschroeit, de dorens, die het verstikken, en ook het zaad dat vrucht geeft. Een afbeelding die helemaal past in de sfeer van de polder. 50 Jaar Ens Jubileumuitgave Dorpsbelang Ens mei 1996 De gebrandschilderde ramen en het mozaiek op de voorgevel van de kerk vallen meteen op. Het mozaiek stelt de zaaier voor. Dit verhaal komt voor in de bijbel. De zaaier is bezig het zaad uit te strooien. De graankorrels komen op verschillende plaatsen terecht. Dit wordt tot uitdrukking gebracht. Verder kijkt de zaaier uit over de polder, waar Gods zaad uitgestrooid wordt. De eenvoudige groene deur past precies bij deze zaaier. | ||
De mozaiek in de voorgevel van de Kerk te Ens | ||
21 november 1952 Nu er tekening begint te komen in de mozaiek in de voorgevel van de Kerk te Ens, geven wij graag hieronder een tekening en nadere omschrijving hiervan. De mozaiek die ontwerpen is door de kunstenaar, de heer B.B. Hendriks, uit Amsterdam, heeft U een beeld van ,,de Zaaier". Het geheel wordt gemaakt van duizenden stukjes steen en marmer in verschillende kleuren. Een dergelijke decoratieve wandversiering zoals men nu in Ens krijgt is iets nieuws en vermoedelijk wel een unicum voor de Hervormde Kerk in ons land. Zoals men op de afbeelding kan zien, bestaat de compositie van het mozaiek uit twee gedeelten: en wel: links: De verzen die betrekking hebben op de onvruchtbaarheid van de bodem waarin het zaad gestrooid wordt: de weg (een vogel), de steenachtige grond (de zon), de met doornen begroeide grond (doorntakken. Deze drie elementen bedoelen dus als symbolen, verkorte beelden, te worden opgevat. Zij geven een beeld van koren, dat door de zon verschroeid is of door doornen verstikt wordt. Zij dienen dit beeld door de onderlinge samenhang op te roepen. Om een verbinding tot stand te brengen tussen links en rechts werd één der drie elementen links, de vogel hieruit losgemaakt, boven de deur herhaald en rechts zo toegepast, dat hier het hoofdmoment van het mozaiek, een dramatisch conflict kon ontstaan tussen het uitzaaien, het belagen en het tot rijpheid komen. De heer Hendriks heeft verder opdracht gekregen om een wandschildering te ontwerpen voor het jeugdgebouw. Zoals bekend zal zijn heeft dit gebouw aan één zijde een grote blinde muur. Hierop komt dan deze wandschildering, vermoedelijk voorstellende Jeugd in diverse stadia der ontwikkeling. De vloer der Kerk, welke geheel gemaakt zou worden van betonplaten, krijgt een iets rijker karakter nl. van betontegels in twee kleuren. Men hoopt momenteel dat eind Januari de Kerk klaar zal zijn, terwijl Maandag a.s. vermoedelijk de luidklok geplaatst zal worden. Wat betreft de windwijzer, zal niet de gebruikelijke haan aangebracht worden, doch zal een botter met volle zeilen boven op de toren geplaatst worden. | ||
Artikel over baksteenmozaieken | Onderstaand artikel over baksteenmozaieken is overgenomen van de site www.monumentale-wandkunst.nl. Het is een onderdeel van het rapport "Monumentale Kunst: Categoriaal onderzoek wederopbouw 1940-1965" van Frans van Burkom en Yteke Spoelstra. Dit rapport is tot stand gekomen als samenwerkingsproject van het Projectteam Wederopbouw van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten en het Instituut Collectie Nederland. In het artikel wordt uitgebreid aandacht besteed aan het baksteenmozaiek De Zaaier bij de voormalige NH-kerk in Ens (klik hier). De sierende of decoratief-artistieke toepassing van industriële of handvormbaksteen en klinkers in al hun baktinten, hardheden en formaten en voorts in gekleurde, geglazuurde of verglaasd-gesinterde vorm, ligt voor de hand in een land, waar baksteen als bouwmateriaal traditiegetrouw alom tegenwoordig is. De plastische baksteenarchitectuur van de Amsterdamse School had tijdens de Eerste Wereldoorlog al de meest ingewikkelde metselverbanden te zien gegeven. De Klerks golvend gemetselde en van plastische boom- of graatvormen voorziene gevelvlakken in vormsteen, boven de portaalportieken van zijn tweede blok aan het Spaarndammerplantsoen (1915-20), kunnen zó bezien ook als ‘baksteenmozaieken’ worden betiteld. In die zin bestond het verschijnsel al vroeg in het interbellum. Na de Tweede Wereldoorlog kreeg het een nieuwe impuls en (dus ook) een nieuwe omschrijving en naam. Veel van de vroege wederopbouwachitectuur (woningen en woningblokken, scholen, dienst- en nutsgebouwen) werd opgetrokken uit Nederlandse baksteen. Tot begin jaren zestig stond de gebruiksarchitectuur immers nog voor een belangrijk deel in het teken van het Delftse Schooltraditionalisme of van een eclectisch shake-hands monumentalisme in baksteen, om eigenlijk pas daarna weer aan te knopen bij een meer internationaal modernisme, waarin gewassen grindtegels en schoon-gegoten beton het beeld gingen bepalen. Ondertussen was de maatvoering van het architectonische object wel spectaculair toegenomen. De baksteenindustrie was in het aan zee- en rivierklei rijke Nederland, met zijn talloze steenfabrieken, een economische factor van belang, wat ook blijkt uit kostbare belangenuitgaven als het (vooroorlogse) tijdschrift Klei of het vanaf 1958 verschenen tijdschrift Baksteen. Tijdschrift gewijd aan de eigenschappen en toepassingen van kleiprodukten. De gezamelijke baksteenindustrie had baat bij afzet, c.q. het bouwen in baksteen en stimuleerde, in steeds nijpender concurrentie met de cement- en betonnijverheid, naast architecten ook kunstenaars om er gebruik van te maken voor decoratieve versieringen of monumentale kunst. Veel van dit soort kunsttoepassingen werden dan ook uitvoerig gepubliceerd in Baksteen. De Nederlandse betonnijverheid en cementindustrie gedroegen zich overigens precies zo met hun tijdschriften Beton en Cement.
Hendriks laat er een interessante hybride in zien van natuursteenmozaiek, doordat hij de baksteen niet héél, maar tot brokken gekloofd gebruikte en het mozaiek bovendien opvatte als strikt figuratief vignet-inlegwerk in de bakstenen buitenmuur. De eigen toepassingsmogelijkheden van het materiaal waren toen nog niet uitgekristalliseerd. De contourwerking van de figuren bleek naar Hendriks’ latere oordeel niet geslaagd, want te instabiel. Ook de kleurgradiënten van het materiaal waren nauwelijks te beheersen, wanneer waarneming van enige afstand de bedoeling was (en dat moest de bedoeling zijn, want het mozaiek is van groot formaat en exterieur geplaatst). Bovendien moest het zeer precieze zetwerk van de gekloofde baksteenbrokjes worden uitgevoerd door een meestermetselaar, wat zeer kostbaar bleek. De kunstenaar deed het resultaat later zelf af als: “allemaal te schilderachtig, te picturaal opgevat”. Dat was echter niet het wezenlijke probleem, want eenzelfde ‘picturaal-figuratieve’ opvatting blijkt uit zijn baksteenmozaiek Vijf Wijze en Vijf Dwaze Maagden in de school in Vriezenveen (arch. Remkes en De Koning, 1953). Daar zijn de contour- en kleurgradiëntbezwaren die aan exterieure toepassing kleefden echter weggenomen doordat het mozaiek binnen werd geplaatst, waarmee de waarnemingsafstand werd verkleind en er sprake kon zijn van geconditioneerde belichting. Pas in 1954 vond Hendriks de wezenlijk ‘bakstenige’ oplossing voor zijn buiten toegepaste, vlakke baksteenmozaieken. Hoewel Hendriks’ artistieke standpunten over de abstractie het meest overeenkwamen met die van De Realisten (d.w.z. tégen), had hij aanmerkelijk méér begrip voor architectuur en voor de eisen die architectuur aan de beeldende kunst stelde dan de Realisten. Onder invloed van de toen door Nederland stormende discussies over ‘wezen en waarde van de abstractie in de kunst’, maar ook zeker als antwoord op de toenemende hoogbouw en het navenant groeiend probleem van het uitdijend blinde muurvlak, begon hij zijn muuroppervlakken op meer non-figuratieve wijze te stuctureren met behulp van verschillend gekleurde en gevormde banen en vlakken siermetselwerk, die bovendien onder verschillende looprichtingen in het als neutraal fond werkend, staande metselwerk waren ingelaten. (Eigenlijk dus inlegwerk/intarsia/incrustratie.) In deze kleurige structuurvlakken werden vervolgens figuratieve motieven gezet, opgebouwd uit baksteenbrokjes, bijvoorbeeld De Wonderbare Visvangst, Dienstengebouw NH-kerk, Huizen (1954, arch. Nielsen Spruyt en V.d.Kuilen, Forum 1954/6). Met dit bijna concrete gebruik van banen en vlakken siermetselwerk herintroduceerde Hendriks op een formeel andere manier: vlak, kleurig en niet plastisch, de ambachtelijke sierbenadering van de baksteen, zoals die in het vroege interbellum in Amsterdam opgeld had gedaan. Wanneer men Hendriks’ al eerder gebleken belangstelling voor de geschiedenis van de Nederlandse architectuur en monumentale kunst in aanmerking neemt, dan vormt zijn kunstenaarschap een trait-d’union tussen het Amsterdamse School-expressionisme van omstreeks 1920 en de latere concreet-beeldende opvattingen over ‘kunst in de openbare ruimte’, zoals die omstreeks 1970 opgang maakte vanuit de Academie in Arnhem: de zogenaamde ‘Arnhemse School’.
Voorbeelden zijn de kopse wand bij de entree van het Chemisch Propaedeutisch Laboratorium van de Rijksuniversiteit Utrecht (rijksopdracht, arch. Urbancik, 1958); de Ambachtsschool LTS in Waalwijk (arch. Geenen en Oskam, 1959, afgebeeld op omslag Baksteen 1961/3); het GEB-gebouw in Vlaardingen (arch. Van der Vlis en Van Pelt, 1960): Het grijpen van de bliksem; Corderiuslyceum, Amersfoort (1960): Het lam overwint, de jeugd vindt; Christelijke HBS (1960, nu Pieter Nieuwlandcollege, Amsterdam): Jacob en het gevecht met de Engel (bedreigd). Dat Hendriks’ werk als belangrijke propaganda voor de Nederlandse baksteen werd gezien blijkt ook uit het feit, dat hij in Baksteen 1961/3 een overzichtspublicatie kreeg aangeboden van een aantal van zijn meest geslaagde baksteenmozaieken in den lande: ‘Het Werk van Berend Hendriks – Monumentale kunst in baksteen. De schoonheid van het materiaal als inspiratiebron’.
Natuurlijk keken kunstenaars ook op dit werkterrein naar elkaar (of opdrachtgevers naar de bestaande voorbeelden): geslaagde voorbeelden werden hoe dan ook nagevolgd. Hoe invloedrijk het baksteenwerk van Berend Hendriks bleek - zelfs nog tot diep in de jaren zestig - laten Harry op de Laaks fraaie baksteenmozaieken zien aan de gevel van de vml. rk-bibliotheek in de Amsterdamse Jongkindstraat uit 1961 (Verdrijving uit het Paradijs) of - wat strammer - aan de gevel van de Espritschool aan de Burgemeester de Vlugtlaan uit 1967 (Spelende Kinderen). Op de Laak was bepaald geen gemakzuchtige epigonist.
|
|
De gelijkenis van de Zaaier (Matthëus 13) | ||
| ||
Geleerd van Ens | ||
| ||