![]() | ||
| 21 mei 1953 | ||
Het nieuwe kerkje in Ens een artistiek evenement | ![]() |
|
(Van onze redacteur beeldende kunst)
U moet zich deze kerk van buiten voorstellen als van een uiterst eenvoudige kubusvorm. Er op is een met leien afgedekt, negen meter hoog dak met een dakruiter van zes meter. Daarin zijn twee klokken, een nieuwe luidklok van 300 kilo en het oude, kleine klokje van de vroegere Schoklandse kerk. Het geheel is bekroond door een botter als windwijzer. De gevel met de rechthoekige deur heeft de architect volledig vrij gehouden om het mozaïek van Hendriks zoveel mogelijk te laten spreken. Dit mozaïek is van een voor ons land -naar ik meen - geheel nieuw materiaal: van stukken baksteen. Zes weken - in de winter! - heeft Hendriks in Ens (in barakken) doorgebracht om zelf al die stukken baksteen in de muur aan te brengen. Materiaal, waarmee weinig variatie te bereiken valt? Nu , er zijn drieduizend verschillende baksteen in verschillende tinten...... Prof. Campendonck, Hendriks' leermeester aan de Rijksacademie, sprak dikwijls van de mogelijkheden van zulk een mozaïek en mede daardoor kwam dit werk in deze techniek tot stand. Een voordeel is het innige samengaan van versiering en bakstenen muur. Een nadeel - of laten we liever zeggen een onzekerheid, is de inwerking van het weer op de steen: de kleur zal zeker met de jaren veranderen. Symboliek ,,De vogelkoopman'' noemt de Enser volksmond dit werk. Een vogelkoopman ís het niet, maar wél de gelijkenis van de zaaier.... Men zal er even aan moeten wennen. Het kerkje staat midden op het dorpsplein en er tegenover ligt het jeugdgebouw, dus volwassen én jeugdig Ens zal in dagelijks contact komen met het mozaïek. En dan zal men zeker wel eens volledig de symboliek van de voorstelling begrijpen en de aanduiding van de zonnestralen, de vogels en de zaaier aanvaarden. Laat ik dadelijk een mogelijke misvatting uit de weg ruimen: er bestaan in Ens geen werkelijke bezwaren tegen dit werk. Juist de volledige medewerking van de kerkeraad, die toch hier voor nieuwe intenties gezet werd, is hoogst opmerkelijk. Menige grote stad is wel eens bekrompener... Zo heeft men ook aanstonds het interieur aanvaard. Een feestelijk interieur. Ik zag het nog niet met de glazen ramen, die het licht nóg bewogener, nog minder kil zullen maken. Maar er zat nu reeds iets Zuidelijk warms in het geheel - iets Byzantijns, als dit niet overdreven was. Een kleine ruimte is het van misschien een 13 bij 18 meter. Doch die ruimte biedt door enkele architectonische kunstgrepen een veel groter lijkende aanblik. Er zijn trouwens in de zaal en op de gaanderijen met het aardige orgel 430 zitplaatsen. Niet op banken, die de ruimte teveel afsluiten, maar op stoelen van blank beuken met rieten zittingen. En dan is er overal k l e u r in deze ruimte. Roodbruin de pilaren, met even wat goud tegen de zoldering, blauw de deuren; warm van tint zijn de muren, waar het baksteen zich onbevangen toont. Ja, die baksteen, dat is een hele geschiedenis geweest. In Werkendam had de heer Nielsen de muren wit willen maken, maar hij zag bijtijds in, dat hij de fout van zijn leven zou maken en hij wist de kerkeraad over te halen de wanden tóch maar baksteen te laten. Toen hij in Ens aan het werk ging, was hij vastbesloten, nu eens werkelijk een witte kerk te maken. Maar toen waren het de ánderen, die bij de ongepleisterde muren uitriepen: O meneer Nielsen, wat práchtig zijn die rode muren!... En toen liet meneer Nielsen het maar zo als het was en wéér had hij geen witte kerk. Kleed achter kansel Maar hij had één eis: achter de preekstoel géén rode bakstenen muur! Daar moest wat anders komen. En toen was er de vrouwenvereniging, die toch al iets had willen geven buiten de ,,practische'' geschenken om - en die vond het prachtig als er een kleed achter de kansel kwam. Maar omdat men niet met millioenen kon goochelen, heeft dat met dat 8 maal 3 meter grote doek ook nogal wat voeten in de aarde gehad. Het werd een appliqué, en daar heeft men van alles voor gebruikt, tot stukken van oude pyama's en zonneschermen en kostbare Baskische weefsels van mevrouw Hendriks toe. Maar de gróte stukken moesten uit de winkel komen in één bepaald groot warenhuis werd men gék van die heren Hendriks en Nielsen, die alsmaar de boel lieten uitpakken en dan nog iets van hun gading vonden of hoogstens een baan van twintig centimeter kochten. Maar nu hangt er toch dat kleed, waar twee dames belangeloos wéken aan hebben zitten naaien. En het doet het prachtig aan de muur, al dit gewone fabriekstextiel - er was alleen maar een kunstenaarshand voor nodig om het te schikken. Links ziet men er een hand, die het oude logosgebaar maakt. Er is een zon er is het Christus-symbool, het lam Gods met vaan. Een weelde van blauw en groen met daarvoor de kansel, waarvoor het edele hout uit West-Indiï kwam en dat op een zuiver gemetseld betonnen blok rust, evenals de grote avondmaalstafel. Straks zijn de glazen in de ramen - ik zag er slechts tekeningen van een enkel stuk. Het begon óók alweer met een geschenk: een polderbewoner gaf één raam. Maar er waren er àcht nodig en het Prins Bernhardfonds vond, dat voor een subsidie een Nederlands Hervormde kerk niet ,,universeel'' genoeg was. Maar tenslotte kwamen de ramen er allemáál tóch wel en Hendriks heeft er het scheppingsverhaal op vastgelegd. In sterk vereenvoudigde vormen, die zich in elk opeenvolgend raam even herhalen. In één enkele kleur zijn zij gebrand en verder met zandstraal geblazen. Nogmaals: ik heb ze maar heel onvolledig en niet op hun definitieve plaats gezien. Maar ik kreeg toch de indruk, dat de weelde (aan kúnst, niet aan kostbaarheden) van het interieur er nog groter door zou worden. In nog sterkere mate kreeg ik die indruk door de tekeningen voor de grote (nl. 16 bij 3 meter) wandschildering die Hendriks in het jeugdgebouw in Keimse verf gaat uitvoeren. Daar zal hij op een ondergrond, die wisselt van grijsblauw tot groenig, de drie stadia van de jeugd uitbeelden. De periode van de kleuterleeftijd, die van de puberteit en van de jonge mens, die de wereld betreedt. Het zou echter voorbarig zijn om mijn mening hierover nu reeds te formuleren. Niet voorbarig is het om van de kerk te Ens te spreken als van een evenement. Het heeft mijn hart verwarmd, dit kunstbegrip bij de ontwerpers, deze tolerantie en smaak bij de kerkeraad. Wat in Ens aan de wanden hangt, mag in letterlijke zin voor allen, die het aangaat, een teken aan de wand zijn! | ||