Kerkopbouw in de NOP | ||
door J.T.W.H. van Woensel Een publicatie van het Sociaal Historisch Centrum voor Flevoland (1996) over de periode 1941 - 1985. | ||
Kerkopbouw in de Noordoostpolder: De Hervormden | ||
De Hervormde Gemeente stichtte in de Noordoostpolder wijkgemeenten met ieder een eigen kerkeraad. Het uitgangspunt daarbij was dat de grenzen van de wijkgemeenten zoveel mogelijk zouden samenvallen met de grenzen van een dorpsgebied. In Het dorp in de IJsselmeerpolders constateert Constandse dat een hervormde (wijk)gemeente uit 1.000 tot 1.500 lidmaten moest bestaan om financieel rond te kunnen komen. De meelevendheid en offervaardigheid onder de hervormden was in vergelijking met die in andere kerkgenootschappen geringer waardoor ze meer leden nodig hadden om een gemeente financieel te kunnen bedruipen dan de rooms-katholieken en gereformeerden. Ruim éénderde van de hervormde gezinnen leverde in 1957 geen financiële bijdrage. De gemiddelde gezinsbijdrage lag dan ook lager dan bij de rooms-katholieken en de gereformeerden. Waren er in een dorpsgebied niet genoeg lidmaten om de instelling van een aparte wijkgemeente te rechtvaardigen, dan werden dorpen tot één wijkgemeente samengevoegd. Tegelijkertijd met de oprichting van de Hervormde Gemeente De Noordoostpolder werden drie wijkgemeenten ingesteld: Emmeloord, Ens en Marknesse. In 1952 splitste de wijkgemeente Emmeloord zich in de wijkgemeenten Emmeloord-stad en Bant. De wijkgemeente Bant besloeg de dorpen Bant, Rutten, Espel en Creil. Hoewel er enige twijfel over de levensvatbaarheid bestond, werd het dorp Luttelgeest, behorende tot de wijkgemeente Marknesse, in 1955 een zelfstandige wijkgemeente. De groei van het aantal hervormden in Emmeloord was zo sterk dat de wijkgemeente Emmeloord-stad in 1956 zonder problemen in twee wijkgemeenten gesplitst kon worden. Toen ook de kolonisatie van de dorpsgebieden Bant, Rutten, Creil en Espel haar voltooiing naderde, werd de wijkgemeente Bant in 1957 opgedeeld in de wijkgemeenten Bant-Rutten en Creil-Espel. De financiële lasten van de wijkgemeente Luttelgeest bleken te zwaar voor het relatief geringe aantal hervormden in het dorp. In 1958 besloten de hervormden dat Kraggenburg, dat tot dan toe samen met Nagele en Tollebeek tot de wijkgemeente Ens had behoord, voortaan samen met Luttelgeest de wijkgemeente Luttelgeest-Kraggenburg ging vormen. In 1959 splitsten ook Nagele en Tollebeek zich van Ens af en vormden samen een eigen wijkgemeente. In de Noordoostpolder streefde de Hervormde Kerk ernaar de verschillende modaliteiten in harmonie met elkaar te laten samenwerken. In formeel-organisatorisch opzicht kende de Hervormde Gemeente in de polder geen richtingen en werd er onder één en dezelfde leiding gewerkt. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Wieringermeerpolder waar binnen korte tijd na de totstandkoming van de eerste kerkgebouwen een richtingenstrijd tussen vrijzinnig-hervormden en rechtzinnig-hervormden was ontbrand. Tijdenteopbouw en pleitte voor ens de vergadering van de Commissie voor de Geestelijke Verzorging en Kerkelijke Belangen in het Zuiderzeegebied van 27 april 1944 sprak prof.dr. H. Kraemer over gemeenteopbouw en pleitte voor samenwerking tussen de verschillende modaliteiten binnen de Hervormde Kerk en de verschillende kerkgenootschappen onderling. Samen met de predikanten dr. K.H.E. Gravemeyer en Banning vormde Kraemer een driemanschap dat een mentaliteitsverandering binnen de Hervormde Kerk vorm gaf. Mede door de oorlog groeide onder de hervormden steeds meer het besef dat de Hervormde Kerk éé moest zijn en niet langer een 'hotelkerk', waar de verschillende richtingen in aparte kamers waren 'ondergebracht'. Het driemanschap wilde de hoge scheidingsmuren tussen de verschillende modaliteiten slechten en had daartoe in augustus 1940 de werkgroep 'Gemeenteopbouw' opgericht. Deze werkgroep werkte aan de opbouw van een kerkelijke organisatie, waarin de verschillende modaliteiten voortaan slechts een ondergeschikte rol zouden spelen. Kraemer was van mening dat de Noordoostpolder bij uitstek geschikt was voor het stichten van één hervormde gemeente waar modaliteiten geen rol meer zouden spelen: | ||
| "Het feit dat de N.O. polder nieuw land is, heeft juist een zeer aantrekkelijke zijde voor het geestelijk werk, dat verricht wordt. De menschen worden daardoor veel opener, kunnen zich bevrijden van gebondenheden en zich geestelijker gedragen." | ||
| Dominee Gravemeyer, die lid was van de commissie voor de Geestelijke Verzorging en Kerkelijke Belangen in het Zuiderzeegebied, schetste in de vergadering van 27 april hoe het hervormde leven in de Noordoostpolder er in de toekomst uit zou moeten zien en welke rol de hervormde predikanten hierin zouden moeten spelen: | ||
| "Aan alle werkers wordt gevraagd: Wilt gij werken in den geest van G.O. (gemeente opbouw, JvW). Vroeger hadden wij een hotel-kerk, d.w.z. de gasten lieten elkaar links liggen, al groeten zij beleefd; thans willen wij een gezins-kerk, d.w.z. de leden van het gezin zijn op elkander aangewezen; er is een band, al is er wel meningsverschil. Wij zoeken samenbinding, ook waar theologisch onderscheid kan zijn: dus niet een eenheid boven geloofsverdeeldheid, doch een Christelijk verantwoorde eenheid. Zoo ben ik er voor om in het verenigingsleven geen splitsing te maken. Wat de school betreft heb ik bezwaar tegen afsplitsing, doch alles hangt af van de neutraliteitsidee, die er heerscht. In de Wieringermeer is men gekomen tot consolidatie der richtingen; dat is verkeerd... Wat G.O. wil is zwaar werk, maar als het niet gelukt in de N.O. polder, gelukt het ook niet in Nederland en in de wereld." | ||
| Dit streven was geen geringe opgave. Er vestigden zich in de Noordoostpolder immers hervormden uit verschillende streken van het land met verschillende religieuze opvattingen. Volgens dominee A.P. Rasch, die tijdens de kolonisatieperiode in de Noordoostpolder actief was, kon er samenwerking worden bereikt door geduldig naar elkaar te luisteren en met elkaar te spreken. Uit woorden die hij in 1955 aan het papier toevertrouwde, blijkt echter dat hij enige onzekerheid had over de uitkomst van bovengenoemd streven: | ||
| "Belangrijk is, dat sommigen, die uit gemeenten komen, waar de partijzucht hoogtij viert een afwachtende houding aannemen of kortweg het samenleven en samenwerken van Hervormden van verschillende modaliteit onder één kerkelijk dak een onmogelijkheid achten. Iedere uitgifte van boerderijen brengt een stroom van nieuwe bewoners naar de polder. Het gesprek moet steeds weer opnieuw begonnen worden. Dit kerkelijk gesprek wordt des te meer eis, nu de pioniers in de massa nieuwelingen ten ondergaan en de leidende gedachte van gemeenteopbouw niet duidelijk tot de mensen spreekt." | ||
| Eind jaren vijftig schatte de Hervormde Gemeente het percentage vrijzinnigen in de Noordoostpolder op ongeveer 25%. Naast de predikanten die aan de wijkgemeenten verbonden waren, stelde de hervormde kerkeraad in 1947 dominee Rasch aan om de verspreid wonende vrijzinnigen in de polder te verzorgen. De kerkeraad nodigde ook vrijzinnig hervormde predikanten van het oude land uit om te komen preken in de polder. Naast de vrijzinnig hervormden was er in de polder ook een groep gereformeerde bonders. 5% van het aantal hervormden in de Noordoostpolder rekende zichzelf tot deze modaliteit. Dit percentage was te klein om een eigen predikant aan te kunnen stellen. Om de aanhangers van de Gereformeerde Bond tegemoet te komen, nodigde de kerkeraad ook voor hen regelmatig predikanten van hun richting uit om in de polder te komen preken. In tegenstelling tot de vrijzinnigen richtten de gereformeerde bonders een eigen vereniging (een afdeling van de Gereformeerde Bond) op. Rasch was één van de opbouwwerkers waarover Gravemeyer in 1944 had gesproken. Hij zette zich tijdens de kolonisatieperiode sterk in om de onderlinge solidariteit van de hervormden in de polder te bevorderen. Tijdens zijn preekbeurten, doop- en avondmaalsdiensten voor het niet-vrijzinnige deel van de Hervormde Gemeente probeerde hij begrip te kweken voor de uiteenlopende denkbeelden en riep hij op tot samenwerking. Rasch had in 1955 al voorspeld dat dit moeilijk zou worden. Bovendien waren er hervormden die niet aan het proces, dat tot saamhorigheid moest leiden, wensten deel te nemen: | ||
| "Sommigen ter rechter en ter linker zijde onttrekken zich aan deze mogelijkheden tot ontmoeting en gesprek. Zij zoeken hun geestelijke tehuis in de Christelijk Gereformeerde kerk en bij de Doopsgezinde gemeente, die hen als vrienden binnen de kring opneemt. Voorzover deze mensen zich niet nadrukkelijk losmaken van de Hervormde kerk wordt steeds weer geappelleerd op hun Hervormd zijn." | ||
| De nieuwelingen in de polder kenden echter niet die saamhorigheid die de pioniers tijdens de eerste jaren van de kolonisatie hadden gekend. In 1959 stelt Rasch teleurgesteld vast: | ||
| "Ondanks de intensieve kerkelijke bearbeiding en de vele pogingen om als hervormden uit vele streken van het land en van verschillende modaliteit tot ontmoeting en gesprek te komen is er afstand blijven bestaan." | ||
| Dat de verscheidenheid binnen de Hervormde Gemeente in de Noordoostpolder ondanks pogingen om tot intensieve samenwerking te komen toch een belangrijke rol bleef spelen, valt duidelijk te illustreren aan de hand van de vraag welke bijzonder scholen er opgericht moesten worden. Binnen de Hervormde Gemeente in de polder waren drie stromingen te onderscheiden. Er waren voorstanders van een openbare school, voorstanders van een zogenaamde C.V.O. (Christelijk Volks Onderwijs)-school, die op initiatief van de kerkeraad zou moeten worden gesticht, en voorstanders van een protestants-christelijke school met een gemengd karakter (Christelijk Nationale School), waarin hervormden en gereformeerden samenwerkten. De gereformeerden in de Noordoostpolder waren allen voorstander van het laatstgenoemde type. Toen de gereformeerden aan de hervormde voorstanders van de Christelijk Nationale School vroegen mee te werken aan de oprichting van een schoolvereniging ontstond er onenigheid met de kerkeraad van de Hervormde Gemeente. De hervormde kerkeraad vond dat de gereformeerden het gesprek niet met een deel van de Hervormde Gemeente aan moest gaan, maar met de Hervormde Gemeente De Noordoostpolder in haar geheel. De gereformeerden -en ook de hervormde voorstanders van de Christelijk Nationale School- waren echter van mening dat onderwijs een zaak van de ouders was, terwijl de meeste hervormden juist meenden dat de kerk zich met het onderwijs moest bezighouden. Deze twee uiteenlopende opvattingen waren niet nader tot elkaar te brengen. Toen de kerkeraad van de Hervormde Gemeente bleef twijfelen over de oprichting van eigen (C.V.O.-) scholen gaven landelijke instanties, waaronder de Hervormde Raad voor Kerk en School, het advies de statuten van de Hervormde Gemeente De Noordoostpolder op een zodanige wijze aan te passen dat de hervormde voorstanders samen met de gereformeerden over konden gaan tot de oprichting van een Christelijk Nationale School. Daarnaast aanvaardde de kerkeraad dat er ook openbare scholen zouden komen. In 1960 had elke polderkern de beschikking over een openbare, een rooms-katholieke en een Christelijk Nationale lagere school, terwijl Emmeloord naast één rooms-katholieke twee openbare en drie Christelijk Nationale scholen had. De Hervormde Gemeente probeerde ook bij het jeugdclubwerk de richtingenstrijd te vermijden en sloot zich aan bij de pas opgerichte landelijke hervormde jeugdbeweging 'Het Kompas'. Als jonge organisatie was Het Kompas niet belast met een richtingsverleden en bij uitstek geschikt om het uiteenvallen van het jeugdclubwerk in verschillende modaliteiten te voorkomen. In de beginjaren van de kolonisatie lukte de opzet van de Hervormde Gemeente. Naarmate het aantal inwoners van de polder echter toenam, kwamen er meer hervormden die zich liever aansloten bij de hen vertrouwde en bekende jeugdbonden. Om deze hervormden tegemoet te komen, richtte de Hervormde Gemeente voor het jeugdwerk in de Noordoostpolder een zogenaamde 'Commissie voor goede diensten' op waarin vertegenwoordigers van de jeugdbonden en Het Kompas plaatsnamen. De Commissie voor goede diensten coördineerde het hervormde clubwerk in de polder. In de loop van de jaren ging een aantal hervormden toch over tot de oprichting van eigen afdelingen van traditionele jeugdorganisaties, zodat tegen het einde van de jaren vijftig naast de Commissie voor goede diensten ook bonden als het Christelijke Jonge Mannen Verbond en de Christen Jonge Vrouwen Federatie actief waren in de polder. De hervormden in de polder hadden niet alleen eigen jeugdorganisaties, maar ook eigen vrouwenverenigingen. Met uitzondering van Marknesse had elke polderkern een hervormde vrouwenvereniging. Hoewel de animo voor deze verenigingen niet slecht te noemen was, ondervonden zij concurrentie van de Bond voor Plattelandsvrouwen, een niet-confessionele organisatie waar veel hervormde vrouwen lid van waren, en de Nederlandse Christen-Vrouwenbond. Deze laatste was een interkerkelijke organisatie op rechtzinnige grondslag waar vooral gereformeerde, maar ook hervormde vrouwen lid van waren. In dorpen waar een afdeling van deze bond was opgericht, waren in de regel geen gereformeerde vrouwenverenigingen actief. Naast deze twee organisaties ondervonden de hervormde vrouwenverenigingen, zij het in mindere mate, nog concurrentie van de Christelijke Boerinnenbond in Emmeloord en afdelingen van vrouwenclubs voortkomend uit de PvdA en het Nederlands Verbond van Vakverenigingen, die in enkele dorpen actief waren. In Marknesse was alleen de Christelijke Vrouwenvereniging Marknesse werkzaam. Deze interkerkelijke organisatie was bij geen enkele overkoepelende organisatie aangesloten en vrijwel alle protestantse en zelfs enkele niet-kerkelijke vrouwen uit Marknesse waren lid van deze vereniging. De hervormde mannenverenigingen in de Noordoostpolder leden in het algemeen een kwijnend bestaan. Er waren maar enkele verenigingen met een gering aantal leden. Dominee Rasch relativeerde in 1994 in het blad De Vriendenkring de pogingen om de eenheid onder de hervormden in de Noordoostpolder te bewaren: | ||
| "Het was de tijd van 'werkorde' naar 'nieuwe kerkorde' in de hervormde kerk. Optimisme ten opzichte van de plaats van de kerk in de samenleving overheerste. Dr Banning, dr Kraemer en dr Gravemeyer, het drietal van de kerkelijke vernieuwingsbeweging 'Gemeente-opbouw' inspireerde ons. In de praktijk bleek er spanning te bestaan over de vormgeving: eenheid of eendracht, assimilatie of integratie, gelijkheid of gelijkwaardigheid. En in een later stadium kwam de vraag aan de orde: behouden we de ene hervormde gemeente in het nieuwe land of is opsplitsing in zelfstandige dorpsgemeenten gewenst? Is specifiek kerkewerk nodig voor de jeugd, vrouwen, mannen, zieken, voor vrijzinnigen of gereformeerd-hervormden? Naarmate de polder in tal en last groeide werd het kerkewerk in zijn verschijningsvorm traditioneler." | ||
Kerkbouw in de Noordoostpolder | ||
Kerkopbouw en kerkbouw in de IJsselmeerpolders door J.T.W.H. van Woensel Een publicatie van het Sociaal Historisch Centrum voor Flevoland (1996) over de periode 1941 - 1985. In tegenstelling tot in de Wieringermeerpolder, waar binnen twee jaar na de drooglegging de eerste permanente kerkgebouwen in gebruik konden worden genomen, duurde het in de Noordoostpolder betrekkelijk lang voordat een aanvang werd gemaakt met de kerkbouw. Het bouwen van permanente kerken stelde de kerkgenootschappen voor grote problemen. In de eerste jaren na de oorlog was het moeilijk om aan bouwmaterialen te komen. In veel gevallen was het bezit van een eigen kerkgebouw ook niet direct noodzakelijk. Het aantal lidmaten was in het begin gering en de kerkgenootschappen konden veelal gebruik maken van de faciliteiten die de Directie voor de godsdienstige verzorging van de arbeiders had ingericht. Kerkten de permanente bewoners in eerste instantie samen met de arbeiders in de kampen, later veranderde dit en kerkten de arbeiders samen met de vaste bewoners in de houten of stenen kerkgebouwen in de dorpen. Naarmate het aantal lidmaten van een kerkgenootschap in een dorp groeide, werd de behoefte aan een eigen kerkgebouw groter. De kerkbouw in de Noordoostpolder werd niet alleen vertraagd door een tekort aan bouwmaterialen, maar ook door de relatief lange periode die de overheid nodig had voor het vaststellen van de 'Regeling financiering kerkenbouw in de Noordoostpolder'. De kerkgenootschappen wisten dat deze regeling in voorbereiding was en bleven met de bouw van hun kerken in het algemeen wachten tot de overheid deze subsidieregeling in maart 1955 definitief vaststelde. De eerste kerkgebouwen die de kerkgenootschappen in de Noordoostpolder bouwden, waren houten noodkerken. De allereerste noodkerk was de rooms-katholieke kerk in Marknesse, die de rooms-katholieken op 27 augustus 1944 in gebruik namen. Dominee M.D. Gijsman, die in de eerste helft van 1045 dominee Matzer van Bloois als predikant in algemene dienst was opgevolgd, wees in oktober 1945 de Bouw- en Restauratiecommissie van de Hervormde Kerk erop dat ook de hervormden in de Noordoostpolder op korte termijn behoefte hadden aan noodkerken. De Bouw- en Restauratiecommissie was na de oorlog verantwoordelijk voor de wederopbouw van hervormde kerkgebouwen. De 'Reformierte Kirche' in Zwitserland had de commissie het aanbod gedaan houten barakken te schenken aan hervormde gemeenten die na de oorlog in nood waren geraakt. Hoewel de Hervormde Gemeente in de Noordoostpolder niet direct door de oorlog schade had geleden, ondervond zij toch wel nadelen. Zo was in Emmeloord al hout voor een noodkerk aangekocht, maar werd de bouw ervan tegengehouden omdat het hout beschikbaar moest blijven voor de wederopbouw. Dominee Gijsman vroeg de Bouw- en Restauratiecommissie twee noodkerken om in de behoefte aan ruimte te kunnen voorzien. De noodkreet van Gijsman bleef niet zonder gevolgen: uit Zwitserland ontvingen de hervormden twee noodkerken die zij in Emmeloord en in Ens plaatsten en waarvan ze de eerste op 7 april 1946 en de tweede op 19 mei 1946 in gebruik namen. Van de Synode van de Hervormde Kerk ontvingen de hervormden in de polder nog een noodkerk, die ze in Marknesse opbouwden en op 15 december 1946 in gebruik namen. De gereformeerden kochten met financiële ondersteuning van de zusterorganisatie 'The Christian Reformd Church of America' een noodkerk in Zweden die zij in Emmeloord plaatsten. Deze houten noodkerken gingen overigens de hele polder door. Zodra in een dorp het permanente kerkgebouw gereed was, braken lidmaten de houten noodkerk af en brachten deze naar een volgend dorp. Jukema beschrijft in Kerkelijk leven in de Noordoostpolder hoe gereformeerden en hervormden in Bant, die in de al eerder beschreven schuur van boer Scholtens kerkten en welke alleen gedurende de zomermaanden kon worden gebruikt, aan een eigen noodkerk kwamen. | ||
| "In het voorjaar van 1952 zou de Hervormde noodkerk... (in Emmeloord, JvW) vrijkomen. Behalve de beide kerken (hervormd en gereformeerd, JvW0 had inmiddels ook de Protestants Christelijke schoolvereniging te Bant een gebouw nodig. In een bespreking tussen vertegenwoordigers van de kerken en de schoolvereniging werd de oplossing gevonden door de Hervormden te Emmeloord tijdelijk onderdak te verschaffen in de Gereformeerde noodkerk. De Hervormde noodkerk kwam hierdoor eerder vrij en kon naar Bant worden getransporteerd. Ten einde de verplaatsingskosten te verlagen, werd spontaan aangeboden dat de Hervormden zowel als de Gereformeerden het vervoer zouden verzorgen. In enkele dagen tijds hadden de boeren uit Bant dan ook met hun wagens en trekkers hun kerk uit Emmeloord gehaald. Anderen hadden inmiddels te Bant de sleuven voor de fundering gegraven ... Bij de opbouw zorgde iedere pachter, Gereformeerd zowel als Hervormd, voor de nodige hulp. | ||
| In de jaren vijftig kwam de voorbereiding voor de bouw van permanente kerkgebouwen op gang. De kerkgenootschappen inventariseerden de mogelijkheden, ook in financieel opzicht, om tot kerkbouw over te gaan. Zo besprak de beheerscommissie van de Hervormde Gemeente De Noordoostpolder, verantwoordelijk voor de materiële zaken, in januari 1950 het beleid inzake de toekomstige kerkbouw. De commissie wilde graag in alle elf kernen een kerk bouwen. De totale kosten werden door de commissie op zo'n anderhalf miljoen gulden geraamd. Het Zuiderzeefonds, door de Synode van de Hervormde Kerk ingesteld om geldmiddelen voor het kerkelijk werk in de Zuiderzee- en later de IJsselmeerpolders te verwerven, was bereid een bijdrage van f 600.000,- te geven. De rest moest de Hervormde Gemeente door bijvoorbeeld hypotheken en renteloze voorschotten zelf financieren. Bovendien hoopte zij op een bijdrage van het Rijk. De beheerscommissie besefte maar al te goed dat de toekomst er financieel weinig rooskleurig uitzag, maar hoopte dat de Hervormde Gemeente zich na de kolonisatieperiode zelf kon bedruipen: | ||
| De eerste 10-30 jaren zullen dus de moeilijkste zijn en het zal dan ook niet mogelijk zijn om in deze jaren een sluitende begroting te krijgen. Echter, naar alle waarschijnlijkheid zal de Generale Synode gedurende de eerste jaren nog regelmatig subsidie verlenen." | ||
| Herhaaldelijk werden Hervormde predikanten, ook uit de polder, het land in gestuurd om te collecteren voor het Zuiderzeefonds. Niet alleen schenkingen, maar ook bijvoorbeeld renteloze voorschotten of leningen tegen lage rente waren welkom. Soms kregen de predikanten bijzondere adviezen om aan geld te komen. Dominee Rasch vertelt daarover in De Vriendenkring: | ||
| "... we kregen, voor mij zeer verrassend, aanbevelingen meer voor het plaatsen van een kerklam bij de veehoudende gemeenteleden. Zo'n kerklam kwam gratis in de kost bij de boer en wanneer het dier zich in het najaar dik en rond had gegeten, werd het verkocht. Het verschil in prijs tussen het pasgeboren lam en het herfstlam was de winst voor de kerk." | ||
| In het geval van de Gereformeerde Kerken waren de Deputaten van de Generale Synode der Gereformeerde Kerken voor de Geestelijke Arbeid in het IJsselmeergebied verantwoordelijk voor de financiële gang van zaken in de Noordoostpolder. Zij beheerden de fondsen voor kerkbouw en beslisten in welke gevallen er subsidie werd gegeven of een renteloze lening werd verleend. Ook als een gereformeerde kerk haar begroting niet rond kon krijgen, konden de Deputaten bijspringen. Zij hadden in feite grote invloed op de bouw van gereformeerde kerkgebouwen. Wanneer zij beslisten dat de offervaardigheid van een gemeente te gering was en zij teveel zouden moeten bijdragen, adviseerden zij eerst een bouwfonds met voldoende geld op te bouwen en de kerkbouw voorlopig uit te stellen. De gereformeerde kerkeraad volgde dit advies dan op; zonder een bijdrage van de Deputaten kon zij de financiering toch vaak niet rond krijgen. Stedebouwkundig gezien was het voor de relatief kleine dorpen in de Noordoostpolder een nadeel dat in elk dorp drie of soms wel meer kerken werden gebouwd. Op het oude land ontlenen de dorpen hun identiteit veelal aan een groot kerkgebouw op een markante plek. Het hoofd van de Directie Smeding wilde dan ook duidelijk herkenbare kerkgebouwen in de polder. Om ervoor te zorgen dat de dorpen een meer herkenbare uitstraling zouden krijgen, stelde Smeding minister van Verkeer en Waterstaat Algera voor een torenfonds in te stellen dat de bouw van kerktorens en dakruiters van overheidswege zou financieren. Smeding had er weinig vertrouwen in dat kerkgenootschappen de bouw van torens of dakruiters zelf konden bekostigen Hij schreef minister-president Drees in 1951: | ||
| "Aan de hand van de inmiddels bij de kerbouw opgedane ervaring vraag ik voorts Uw aandacht voor de stedebouwkundige of zo men wil landschappelijke functie van de kerkbouw. Minister in 't Veld maakte enige jaren geleden na een rondrit door de polder terecht de opmerking: "Ik mis in deze polder een rustpunt voor mijn oog." Ik leefde toen in de verwachting, dat wanneer eenmaal tot de bouw van kerken zou kunnen worden overgegaan, deze lacune vanzelf zou worden aangevuld door de daarbij behorende torens e.d., die zij het dan ook van bescheiden hoogte, niettemin in staat zouden zijn de dorpen een sprekend profiel te geven en daardoor de oriëntering in de polder zou vergemakkelijken ... Ik acht het belang van tenminste één toren of flinke dakruiter op de nok van een kerk per dorp echter wel zo groot, dat ik meen, dat in de financieringsregeling een bepaling moet worden opgenomen, die deze torenbouw verzekert./td> | ||
| Uiteindelijk nam de overheid in de 'Regeling financiering kerkenbouw in de Noordoostpolder' de bepaling op dat zij ten behoeve van de torenbouw op elk toegekend subsidiebedrag 3% in zou houden en dat geld in een torenfonds zou storten. Uit dit torenfonds zou dan de bouw van dertien kerktorens of dakruiters, namelijk drie in Emmeloord en één in elk ander dorp, worden bekostigd. De kerkgenootschappen bouwden in de Noordoostpolder uiteindelijk 36 kerkgebouwen met subsidie van de overheid (zie ook hoofdstuk VV en bijlage II). Door de subsidieregeling bleek het ook voor kleinere kerkgenootschappen mogelijk een kerk te bouwen. Oók wanneer het aantal leden van een kerkgenootschap in een dorp gering was, kon deze met de financiële overheidsbijdrage overgaan tot de bouw van een eigen kerk. In Emmeloord, Marknesse, Ens, Luttelgeest, Bant, Rutten en Nagele kreeg elk van de drie grote kerkgenootschappen de beschikking over een eigen gebouw. In Emmeloord bouwden ook de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt), de Christelijk Gereformeerde Kerk en de Gereformeerde Gemeente met financiële ondersteuning van de overheid een eigen kerkgebouw. De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) bouwden met de premieregeling ook een eigen kerk in Marknesse, Creil en Nagele, terwijl de Gereformeerde Gemeente met overheidssteun ook een eigen kerk in Marknesse kon bouwen. Reeds enkele jaren na de start van de bouw van de dorpen Kraggenburg, Espel en Tollebeek bleek dat het aantal hervormde en gereformeerde inwoners te beperkt was om én een eigen predikant én een eigen kerkgebouw te bekostigen. In Kraggenburg hadden de hervormden in 1953 al een eigen kerk laten bouwen, maar kregen daar te maken met een jaarlijks terugkerend financieel tekort. Zij zochten contact met de gereformeerden en na enkele jaren van onderhandelen besloten ze samen tot het bezit en gebruik van één kerkgebouw, het Protestants Christelijk Kerkcentrum, over te gaan. De eigendom van de hervormde kerk werd voor de helft door de gereformeerden overgenomen. Om de gereformeerde organisaties en verenigingen onder te kunnen brengen, werd aan het kerkgebouw een verenigingszaal toegevoegd. In Tollebeek en Espel gingen de hervormden en gereformeerden direct over tot het realiseren van een gezamenlijk kerkgebouw. In Tollebeek startten de hervormden en de gereformeerden in 1961 met de bouw en in Espel in 1962. De twee gebruikers kregen in elk kerkgebouw de beschikking over een eigen kerkeraadskamer, waar tevens catechesatie kon worden gehouden. Daarnaast werden de kerken voorzien van één grote zaal met 120 tot 200 en één kleine zaal met twintig zitplaatsen. Ieder kerkgenootschap had telkens drie dagen per week de beschikking over één van de twee zalen. Deze vorm van gezamenlijke bouw en exploitatie was begin jaren zestig nog vrijwel uniek in Nederland. In Kraggenburg, Espel en Tollebeek bouwden de Roos-Katholieke Kerk ook kerken. In Creil kwam een Hervormde Kerk en een Rooms-Katholieke Kerk. | ||
NH Kerk te Ens | ||
Kerkopbouw en kerkbouw in de IJsselmeerpolders door J.T.W.H. van Woensel Een publicatie van het Sociaal Historisch Centrum voor Flevoland (1996) over de periode 1941 - 1985. Het kerkgebouw van de Nederlands Hervormde Kerk in Ens heeft een vrijwel vierkante plattegrond, het neigt naar centraalbouw. De ontwerpers wilden de kerk zo weinig mogelijk een achterkant geven. De consistorie leunt tegen de kerk aan, het jeugdgebouw staat los. Het hoge schilddak is een oriënteringspunt voor de omgeving. In de kerkzaal geven een dominant wandkleed en ramen van B. Hendriks de lengte-as aan. Het balkon, de hoge kapruimte en de lichtkroon bieden tegenwicht. Het liturgisch centrum staat niet op een verhoging. De kerk is centraal gelegen op een stenen kerkplein omringd door linden en lage, eenvoudige woningen. De gevels zijn van bruinrode gevelsteen, de vensters en deuren van groen en wit hout en het dak van blauwe leisteen. De architecten Nielsen en Spruit ontwierpen ook Het Baken in Emmeloord en samen met van de Kuilen het nieuwe gebouw van De Rank in Emmeloord en de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) in Nagele. | ||
Samenvatting kerkopbouw en kerkbouw in de Noordoostpolder | ||
Kerkopbouw en kerkbouw in de IJsselmeerpolders door J.T.W.H. van Woensel Een publicatie van het Sociaal Historisch Centrum voor Flevoland (1996) over de periode 1941 - 1985. Door de Tweede Wereldoorlog en de daaropvolgende periode van wederopbouw duurde de ontginning en het in cultuur brengen van de Noordoostpolder lang. Daardoor speelde het geestelijk leven zich in de eerste vijf jaren van de kolonisatieperiode voornamelijk af in de arbeiderskampen. Al direct vanaf het begin stuurden de kerkgenootschappen geestelijken de polder in om de arbeiders in hun moeilijke omstandigheden, die zouden kunnen leiden tot geloofsafval, bij te staan. In eerste instantie regelden de kerken in de randgemeenten de godsdienstige verzorging van de arbeiders in de kampen. Toen de Directie de kampen dieper in de polder ging aanleggen, stelden de kerkgenootschappen aparte geestelijken aan. De verhouding tussen de verschillende kerkgenootschappen was in het algemeen goed te noemen. Zij pleegde regelmatig overleg en hielden gezamenlijke godsdienstoefeningen in de kampen. Naarmate het aantal permanente bewoners van de Noordoostpolder toenam, ontwikkelde zich het kerkelijk leven. De kerkgenootschappen gingen over tot verzelfstandiging van hun gemeenten. Daarbij volgden zij globaal de ontginning van de polder. Elk jaar werden er nieuwe gronden ter grootte van een dorpsgebied uitgegeven en zo ongeveer elk jaar bouwde de Directie een nieuw dorp. Het voornemen om de bevolking van de Noordoostpolder een afspiegeling van de Nederlandse samenleving te laten vormen, bracht met zich mee dat er elk jaar nieuwe bewoners van allerlei gezindte naar de polder kwamen. Het beleid van de kerkgenootschappen was erop gericht in elk dorp (van de Noordoostpolder) een zelfstandige parochie of (wijk)gemeente op te richten. Zodra er genoeg kerkleden in een dorpsgebied woonden, gingen de kerkgenootschappen over tot verzelfstandiging. In sommige gevallen waren er niet genoeg kerkleden om een eigen parochie of (wijk)gemeente in te stellen en vormden twee of meer dorpen samen één kerkelijk gemeente. De gereformeerden en hervormden zetten de samenwerking, die zij waren begonnen in de arbeiderskampen, in eerste instantie in de dorpen voort. De rooms-katholieken, die in de jaren vijftig nog gestaag doorwerkten aan hun emancipatie, hielden zich hiervan afzijdig. De hervormden en gereformeerden kerkten in dezelfde ruimte, hielden gezamenlijke diensten en vergaderden in sommige gevallen ook samen. Deze interkerkelijke samenleving brokkelde af naarmate het aantal inwoners van de polder groeide. De nieuwe bewoners kenden niet het saamhorigheidsgevoel dat de pioniers tot elkaar had gebracht, maar kozen voor de maatschappelijke en religieuze structuren die zij op het oude land hadden meegemaakt. Eenzelfde ontwikkeling is vast te stellen bij de hervormden onderling, waar in de loop van de tijd de modaliteiten weer een grotere rol gingen spelen. Illustratief daarvoor is de organisatie van het verenigingsleven in de Noordoostpolder, die gaandeweg weer dezelfde 'verzuilde' vorm aannam als op het oude land. Na de totstandkoming van een subsidieregeling voor de Noordoostpolder kwam de kerkbouw in de tweede helft van de jaren vijftig goed op gang. In bijna elk dorp werd een rooms-katholieke, een hervormde en een gereformeerde kerk gebouwd. In drie dorpen gingen de hervormden en de gereformeerden over tot gezamenlijke kerkbouw. Deze hernieuwde samenwerking kwam vooral voort uit pragmatische overwegingen. | ||