Haagse Post | ||
| 26 Januari 1954 | ||
Kunstenaars zoeken hun bouwmeester | ![]() |
|
| TEGENOVER de weg naar aquarel en gouache, tekening en grafiek staat de behoefte van zeer veel beeldende kunstenaars naar een binding met de architectuur, die hen het aan een willekeurige spijker op te hangen en ingelijste schilderij doet verlaten voor de wand, het glasraam of het tapijt. Een kunst dus, niet zozeer van de particuliere intimiteit en de afzonderlijkheid als wel van de gevormde ruimte, waarin het leven zich afspeelt, hetzij op het openbaar plan van kerk, raadhuis of kantoor, hetzij binnen het familiaire van het woonhuis. Maar de problemen van deze nagestreefde eenheid van architectuur en kunst - of van ruimtekunst en kunstruimte - zijn talrijk en de werkelijke stand van zaken is niet altijd even bemoedigend. Sinds kort bestaat de ,,Vereniging van beoefenaars van de Monumentale Kunsten'', die zich naast de ,,Kring van Beeldhouwers'' snel een eigen plaats verovert. De leden bedrijven - met uitzondering van de plastiek - technieken die op een verband met de architectuur zijn aangewezen. Het zijn dus glazeniers, wandschilders, makers van sgrafitto of mozaïek, tapijtontwerpers en dergelijke. Overheid, verval en herleving De eenheid van architectuur en beeldende kunst heeft haar stralend verleden, haar verval en haar romantische herleving gekend éér wij in de laatste decenniën weer dringender met haar problematiek geconfronteerd worden. Haar bloeitijd lag, globaal gesproken, vóór de Renaissance, ondanks de grootse versmelting van de Barok der Contra-Reformatie en bezat haar zwaartepunt in de Katholieke kerkelijke kunst, ondanks al wat op wereldlijk terrein aan monumentale en architectonisch-gebonden kunst vervaardigd werd.
De reactie, die tegen het einde van de vorige eeuw inzette, werd niet toevallig gevoed door een romantisch ideaalbeeld van een middeleeuws leven, dat men naar de Gotische kathedralen mat. Die reactie leidde in ons land tot de periode der ,,Monumentale kunst'', waaraan in de architectuur namen als Cuypers en Berlage, overigens antipoden en in de beeldende kunsten namen als R.N. Roland Holst, Toorop, Van Konijnenburg, Derkinderen en Thorn Prikker onverbrekelijk zijn verbonden. Hun stond, ondanks verschil van stijl, en geloof, een nieuwe middeleeuwse synthese voor ogen: een doorlopende extatische stilering van het menselijk bestaan; een alomvattende kunstvorm, die alle afzonderlijk en wortelloos geraakte kunsten weer zou verlossen uit haar individualistische eenzaamheid en samenvoegen tot een groots, momumentaal - en voor de meesten religieus doorademd - geheel, ter verheerlijking van het Hoogste en ten dienste der Gemeenschap. In korte tijd ontstond, rond Berlage en andere architecten, een samenwerking die ideaal mocht worden genoemd, ook al ondergaat men de artistieke uitingen van de groep achteraf als een laatste schone droom, een wegvluchten in een voorgoed voorbij verleden en een verijlde aesthetiek, eer de muren van Europa scheurden, de chaos aanbrak en te midden van geweld, afbraak en vernieuwing ook architectuur en kunst opnieuw langs talloze wegen van elkaar verloren raakten. In het Europa van de twintigste eeuw was de kans voor een monumentale kunst, zoals Van Konijnenburg en de zijnen die verstonden, geringer dan ooit. In de beeldende kunst wendde de ontwikkeling zich scherp van de stilering af en brachten cubisme, abstractie, futurisme, expressionisme en surrealisme, om het bij een slordige opsomming te laten, experimenten en problemen die radicaler dan ooit in de ,,vrije'' kunstsector werden aangevat. In de architectuur, ten slotte, werden de problemen van een strenge en zuivere, constructief en functioneel bepaalde vormgeving zo overheersend, dat voor andere menselijke vormfuncties en expressiemogelijkheden nauwelijks enige speelruimte binnen de conceptie van het bouwwerk scheen over te blijven. De bouwkunstenaar eist hier de taak, een levensruimte tot stand te brengen, voor zich alleen op. Hij is hoogstens achteraf geneigd uit te zien naar een eventuele inschakeling van beeldende kunstvormen.
De schilder en de ruimte Eén gedachte werd hier reeds eerder uitgesproken: de opkomst van het losse olieverfschilderij-in-een-lijst vormt met de opkomst van het perspectivisch naturalisme een samenhangend geheel. Anders dan velen nog menen, is het perspectivische beeld in de schilderkunst geen ,,vanzelfsprekendheid'' maar een historisch bepaald verschijnsel. Het perspectief is als artistiek vormbeginsel een keuze tussen mogelijkheden, die op bepaalde andere factoren berust. Het trad als ruimte-suggestie binnen het platte vlak van het schilderij eerst op, zodat dit schilderij, losgemaakt uit een oorspronkelijk ruimtelijk, architectonisch geheel, genoopt werd eigen ruimte te suggereren. En deze ruimte blijft in wezen ,,oneigenlijk'' tegenover de oorspronkelijke ruimte, waar binnen de mens leeft en beweegt en waartoe het schilderij behoort als wanddeel van het ruimtelijk, architectonisch geheel. Benadert men het schilderij weer vanuit déze ruimtelijke houding dan neemt het zijn wandkarakter weer aan. En al mag dan nog allerminst over de artistieke vormproblematiek beslist zijn, in elk geval is het éne, toevallig ingenomen blikpunt van het subjectieve perspectief als picturaal beginsel, geen noodzaak meer. En juist dit zien wij in de moderne kunst in hoofdzaak, en ongeacht zeer grote verschillen in uitwerking gebeuren. Deze kunst ontvlucht de ruimte niet, maar wil haar herwinnen op de heerschappij van de schijnruimte. Maar de ruimte die zij wint en waartoe zij zich baseert, is de ruimte waartoe de schildering behoort, dat schilderij dat zelf weer om een ruimtelijke vormgeving vraagt. Met andere woorden: de moderne kunst wenst - bewust of onbewust - de verlossing uit de lijst en de invoeging in een architectonisch geheel, zonder dat deze invoeging de zelfstandigheid van het kunstwerk vermindert. Dit laatste moet zeer nadrukkelijk, tégen veel heersend misverstand in, vooropgesteld worden: de invoeging van de schilderkunst in de architectuur (en hetzelfde geldt voor het glazenieren, de mozaïek enz.) tast de artistieke autonomie daarvan niet aan door een of andere ,,toepassing'' of ,,dienstbaarheid'' als zou de kunst daarin iets wezenlijks offeren. Zij is integendeel de bevrijdende vervulling, zodra deze kunst vanuit ruimtebesef doorleefd wordt. De schilder behoeft zijn eigen vrije schilderstijl niet ontrouw te worden, omdat deze reeds principieel met de architectonische ruimtelijkheid in samenklank is. Van een nadrukkelijke monumentaliteit en horigheid aan het muurvlak is geen heil te verwachten, al blijft ondanks dat het probleem van de juiste samenwerking tussen architect en kunstenaar bestaan. De kunst en de kerk Geen belangrijker hoofdstuk van de huidige monumentale kunst dan de kerkelijke kunst. Terwijl de beoefenaar der monumentale kunsten elders is aangewezen op wereldlijke overheid en particulier, bezit hij in de Katholieke Kerk een hem van oudsher toekomend, rijk arbeidsveld. De kunst der middeleeuwse kathedralen was voor de eenvoudigen ,,Bijbel'', niet alleen op grond van het heersend analphabetisme, maar vooral ook omdat kunst en religie nog een eenheid vormden en beeld en beeldsymbool onverbrekelijk met kerk en religie verbonden waren. Sindsdien is de kerkelijke kunst op catastrophale wijze te gronde gegaan. Enerzijds, omdat binnen de Katholieke kerken bij gelijkblijvende functie van het beeld, de artistieke kwaliteit moest wijken voor de kitsch van suikerbakkerskunst. Anderzijds, omdat het Protestantisme, in zijn strijd tegen de Katholieke ,,afgoden'' en afdwalingen, met de Heiligen ook het beeldende en het beeld in het algemeen uit de kerk verdreef om slechts het Woord van de Openbaring en de woorden der theologen over te houden, aldus een deel van de mens afsnijdend en wegwerpend. Heden ten dage vormt de sterk gevoelde behoefte aan een nieuwe Protestantse kunst een probleem, dat tot diep in de theologie en het wezen van het Protestantse geloof reikt. Met het architectonisch probleem van de kerkbouw en met de inschakeling van strikt decoratieve , toegepaste kunsten kan men nog wel klaar komen. Maar de kunst is te allen tijde méér dan alleen decoratie en schoonheid; in haar wezen is zij beeld en beeldsymbool, evocatie en concretisering. Haar wereld is de zintuiglijkheid en de gestalte. Haar invoeging in het Protestantse kerkelijke is niet anders mogelijk, dan door opnieuw de verhouding tussen Woord en Beeld, God en wereld, algemene leer en concrete liturgische verschijning als theologisch probleem te stellen. Ofwel: men kan aan de beeldende kunst binnen de Protestantse kerk geen plaats geven, zonder het beeld als religieus medium en symbool naast het woord te erkennen. Niets staat - theologisch althans - een renaissance der Katholieke kerkelijke kunst in de weg, want hier geldt het slechts een strijd tegen de stoggige wansmaak, die zich achter een beroep op de ,,smaak van de massa'' verschuilt. En toch voltrekt ook hier de kentering zich langzaam, gesteund door te weinigen, zoals eens de groep rond ,,De Gemeenschap'' en een figuur als de te vroeg overleden architect Boosten die zijn kerken reeds direct ontwierp op de kunst van een Jonas, Eyck of Nicholas. Wanneer het waar is, dat de moderne beeldende kunst in haar meest elementaire kenmerken voor de architectonische ruimte is bestemd, dan voegt de kerkelijke kunst daar een aantal vragen aan toe, die door de kunst in haar huidige gedaante nog slechts zeer voorlopig en fragmentarisch beantwoord zijn, omdat zij betrekking hebben op het raakpunt van de beide lijnen, gevormd door de artistieke vernieuwing en de vernieuwing... Het vervolg van dit artikel staat op een volgende pagina in de Haagse Post. Deze pagina hebben we (nog) niet teruggevonden. (m.h.) | ||