Forum
Nummer 8, 1953


Drie nieuwe kerkgebouwen voor
de Protestantse eredienst
foto
foto
foto
Kerkbouw staat, meer dan sedert vele generaties, na 1945 in het midden van de belangstelling en een aantal architecten, groter dan ooit, is in ons land daarbij betrokken.
Dit moge verklaren dat de redactie, een half jaar na de publicatie van twee kerkgebouwen (één voor de R.K. en één voor de Protest. eredienst), die om hun bijzondere conceptie de aandacht trekken, ditmaal alleen voor Protestantse richtingen, waarbij het accent thans vooral valt op de resultaten van de samenwerking tussen architecten en beeldende kunstenaars vanaf de aanvang tot het ontwerp, zoals deze tot uitdrukking zijn gekomen in twee der drie thans gepubliceerde kerken.
Ook in menig ander opzicht verdienen deze kerken de aandacht van allen, die bij kerkbouw op een of andere wijze zijn betrokken.
Daarom verheugt het ons dat wij Ds. F.E. van Leeuwen, Remonstrants predikant te Delft, bereid hebben gevonden voor ,,Forum'' in een artikel zijn visie te geven op deze drie kerken, zoals hij die meent te moeten zien in verband met hun bestemming: de Protestantse eredienst.
Dat hij daarbij ook enige malen een critisch geluid laat horen, verheugt ons in dubbele mate, omdat deze opmerkingen alleen maar ten goede zullen kunnen komen aan het doel.
Een gelukkige omstandigheid bij de keuze dezer drie kerkgebouwen is geweest dat hier naast elkaar staan een kerk in de nog ruige Noordoostpolder, waar de pioniers in dit nieuwe land als het ware met de klein onder hun schoenen in hun dorpskerk zitten - een kerk aan de schone Veluwezoom, bestemd voor een, zo men wil, geacheveerde gemeente - en een kerk op een rommelig punt in een nieuwe wijk van een grote stad.
In zijn beschouwing gaat de schrijver, terecht, van deze onderscheidene uitgangspunten uit; ook de aandachtige lezer zal ongetwijfeld bij zijn beoordeling daarmede rekening houden.
De redactie beschikt niet over een of meer recente R.K. kerken, doch blijft met ongeveinsde belangstelling uitzien naar materiaal van die zijde

Redactie


Beschouwing
F.E. van Leeuwen

Om een bezonnen oordeel te kunnen geven over een kerkgebouw, zou men daarin een eredienst van de gemeente moeten meemaken, zelfs meermalen, om zich bewust te worden wat het gebouw op den duur tot ons zegt. Dit geldt in het bijzonder voor mij, daar ik niet met de blik van een deskundige, maar met het oog van het gemeentelid de hiernaast afgebeelde kerken ben gaan bezichtigen. Het was de bedoeling dat ik op onbevangen wijze deze kerken op mij zou laten inwerken en daarna vrijmoedig mijn indrukken zou weergeven, ook al heeft mijn oordeel geen enkel gezag.
Het lijkt mij het beste om eerst de drie kerkgebouwen te beschrijven om naast de afbeeldingen zo mogelijk nog een enkele verduidelijking te geven van de totaal-indruk en daarna enkele beschouwingen te geven over wat mijn gedachten als predikant geweest zijn bij het zien van deze kerken.

foto
Wanneer men het dorpje Ens nadert langs de grote weg door de Noord-Oostpolder ziet men onmiddellijk het hoge en sierlijke dak met de montere klokkestoel van het dorpskerkje boven de lage daken van de huizen uitsteken. Het profiel van dit dorp-in-wording wordt nog beheerst door de kerk. Dit kerkje is gelegen aan een open pleintje, zonder plantsoentje er om heen, gastvrij en voor iedereen toegankelijk temidden van de nieuwe huizenrijen.
Dit open en nodigende karakter wordt nog verlevendigd door het grote mozaïek op de voorgevel, voorstellende de zaaier, die uitgaat om te zaaien, en een deel van het zaad valt tussen de doornen, een deel wordt verzengd door de zon (afbeelding links van de ingang), een deel wordt door de vogels weggepikt en slechts een deel groeit op tot vruchtbaar koren (dit is het minst duidelijke deel van de afbeelding, vlak onder de linker arm).
Deze afbeelding roept allerlei wakker: wij denken aan dit nieuw gewonnen land waarin gezaaid moet worden, wij voelen als het ware de zeewind nog om ons heen wanneer wij de vogels zien zwermen rondom de zaaier en er gaat van deze afbeelding een wervende kracht uit, een soort oproep om binnen te komen en te luisteren naar het woord van het Evangelie.
foto
En wanneer wijd dan binnentreden en op de drempel naar binnen zien, dan zien wij voor ons een groot feestelijk kleed achter de kansel uitgespannen als een vlaggedoek. Aan de linkerzijde staat de opgeheven hand van de Schepper: een uitbeelding van ,,In den beginne was het Woord''; aan de rechterzijde het lam Gods in het zegevierende licht uit den hoge: een uitbeelding van het licht der wereld. En daartussen een effen baan achter de preekstoel. Voor mijn besef staat hier de prediker voor een spandoek, welke ons zegevierend verkondigt hoe alle dingen begonnen zijn en volbracht zullen worden door de heerlijkheid Gods.
Wanneer wijd e kerk daarna binnengaan bevinden wij ons onder een hoog lichtgrijs dak, dat als een tentdoek licht en wijd boven ons staat. Doordat de gedeelten achter de pilaren wat lager zijn gehouden en zelfs nog gehalveerd door een galerij rondom het middenvak, rijst de middenruimte onder het dak bevrijdend hoog op en geeft een gevoel van ruimte. En in deze ruimte staan de met biezen bekleding beklede stoelen voor de gemeente. Van deze stoelen gaat iets genoeglijks uit; men voelt dat dit het huis is van de gemeente, waar men met vreugde bij elkaar komt en zich met elkander een gemeenschap voelt. Alleen de ouderlingen en diakenen hebben nog hun vaste banken, om goed het gewicht van hun ambt te doen uitkomen. Zij zitten ook nog dwars in de kerk, het toezicht houdende op de predikant en de gemeente en elkander.
foto
Er gaat ook van de kleuren in deze kerk iets zeer blijmoedigs uit. Het zijn alles eenvoudige, sterke kleuren; ik zou haast zeggen: landelijke kleuren. De vloer is bedekt met grove zwarte tegels, alleen in het middenpad met een witte figuur versierd. Achter de galerijen zijn de acht ramen, aan de linker- en rechterzijde, op zeer eenvoudige en doorzichtige wijze betekend met gestileerde aanduidingen van de zeven scheppingsdagen en het achtste, of beter het eerste raam, met een voorstelling van de geest Gods zwevende over de wateren. De versiering is echter zo gehouden dat het licht blank en helder de kerk binnenstromen.
foto
De preekstoel is het stevige centrum; op zulk een kansel, zonder enige versiering of verfraaiïng, moet wel klare en bondige taal gesproken worden! Dit kerkje maakt op mij de indruk van een zendingskerkje: getuigend van een nieuwe aanpak in een nieuw land, staande temidden van het volk en open naar alle zijden, bereid om te getuigen van de blijdschap van het Evangelie en gelovend in de groeikracht van de werkzame gemeente.

Van Leeuwen bespreekt hierna de kerken te Oosterbeek en Loosduinen. Hieronder nog enkele van zijn beschouwingen: (m.h.)
... Wanneer ik mij nu zet om de opgedane indrukken te ordenen en te overdenken, dan overheerst een gevoel van diepe vreugde over wat er al weer aan bezieling en leven gekomen is in de protestantse kerkbouw.
... In alle kerken overviel mij als verrassing de levendige en bezielende werking welke uitging van alle ruimten. Het kerkgebouw is weer van integrerende betekenis geworden voor de eredienst.
Maar daartegenover staat ook dat men zich nog meer rekenschap moet geven van de geest welke van de architectuur uitgaat. En dan valt het mij op dat iedere kerk zulk een persoonlijk karakter heeft gekregen. De geest van de bouwmeester heeft overal een zéér persoonlijk stempel gezet op de gehele sfeer. En daarin ligt een urgent probleem. Mogen wij doorgaan met zoveel verschillende, vaak uiteenlopende, ja, tegenstrijdige opvattingen over kerkbouw aan het werk te laten?
Kerken worden gebouwd voor vele geslagen en moeten toch ruimten zijn waarin de bovenpersoonlijke en boventijdelijke vererings-gemeenschappen zich verzamelen.
Het eerste gevaar, dat ik in het bijzonder in de Bergkerk bespeurde (Amersfoort -m.h.) bespeurde, is, dat men de kerk te mooi gaat maken in de zin van ,,opgemaakt''.
foto
... In het kerkje te Ens is alles zeer bewust ingesteld op de volksgemeente. Hier kan men bij wijze van spreken gerust op zijn klompen binnenkomen en deelnemen aan het avondmaal. Wat mij hier weer opviel, al heeft het mij als remonstrant zeer verheugd, is, dat er zulk een blijmoedige sfeer heerste in deze kerk. Een ,,zware'', calvinistische, prediking lijkt mij nauwelijks meer mogelijk in deze omgeving. Alleen kan men zich afvragen of jeugdige en moderne architecten voldoende denken aan de kerk als geestelijk tehuis ook voor oudere mensen, ook voor hen die verdriet hebben en troost en vrede zoeken.
De meer principiële vraag welke bij het zien van deze kerken natuurlijk alles beheerst is of wij de preekstoel of de avondmaalstafel in het centrum willen zien. Te Ens is zeer duidelijk het eerste, te Oosterbeek zeer duidelijk het tweede gedaan. Het kerkje te Ens is duidelijk het huis van de gemeente, waar men gaarne tezamen komt en met elkaar rondom de kansel geschaard naar het Woord van het Evangelie komt luisteren. Alleen zou ik hier dan ook de stoelen meer ,,rondom'' geschaard willen hebben. Waarom is hier het brede middenpad gehandhaafd, nog wel geaccentueerd met witte figuren? Dit is geen opgang naar het altaar, maar een pad dat naar de plaatsen leidt. En nu staat de prediker voor een breed middenpad te spreken. Waarom is hier de avondmaalstafel op zware steunsels vastgezet? Men merkt haar pas later op en de stoelen zijn geenszins gericht op deze tafel in het midden.


Forum
Nummer 8, 1953


De arbeid van twee wandschilders
voor Protestantse Kerken
J. Groenesteijn

Dat de architectuur het predicaat ,,moeder der kunsten'' niet meer toekomt is voor iedereen die zich voor architectuur interesseert, of daarin zijn levenstaak vindt, wel duidelijk.
De oorzaken van de te betreuren verhoudingen tussen haar en de wandschilder- en beeldhouwkunst zijn waarlijk niet uitsluitend bij de architectuur te zoeken. Evenzeer als elke andere vorm van kunst zou de architectuur dienstbaar aan de gemeenschap of al was het maar eerst, een gemeenschap, willen zijn. En evenzeer als wandschilders en beeldhouwers zullen architecten verlangen verbonden te zijn met een geheel, door één religieus besef.
Het probleem is actueel en van het verlangen naar een samenwerking is ook in ,,Forum'' meermalen getuigd. Het noopte de wandschilder Berend Hendriks tot het richten, in dit orgaan, van ,,bittere verwijten'' aan het adres van de architectuur. Zo gaat het menigmaal wanneer men in zwaarmoedige ogenblikken verleid wordt tot het aanwijzen van een zondebok. Toch bleek hoezeer ook hij zich dit verlangen bewust is. En hoewel het ongebruikelijk is dat bevriende collega's over elkaars werk schrijven, is het daarom dat ik graag voldoe aan het verzoek van de Redactie om een beschouwing te wijden aan het werk van Hendriks, dat hij onlangs voltooide in samenwerking met architect Nielsen, omdat hier inderdaad van die zo verlangde samenwerking sprake is.
Natuurlijk, één zwaluw maakt nog geen zomer, en een dergelijke nauwe samenwerking als waarvan hier sprake is, zal voorlopig nog wel tot incidentele gevallen beperkt blijven. Maar waar zij dan ook aanwezig is dient zij zeker gesignaleerd te worden.

Hendriks maakte een baksteenmozaïek in de gevel van de Hervormde Kerk te Ens, N.O.-polder. Het mozaïek werd ontworpen voor de gevel, maar ook de gevel vindt zijn verhoudingen en ontleent zijn waarde o.m. aan het mozaïek. Dit nu is een zeer belangrijk verschijnsel, en geeft het verheugende gevoel dat het hier misschien gaat om een stap op de goede weg.
Dit mozaïek is er zo noodzakelijk, dat men de gevel, en eigenlijk het gehele kerkplein, dat gevormd wordt door het daartegenover liggende jeugdgebouw, niet zonder dit kan denken. Het ontwerp voor het mozaïek heeft Hendriks ontleend aan de parabel van de zaaier: ,,Hij ging uit om te zaaien en een gedeelte van het zaad werd verstikt door onkruid en doornen. Een ander gedeelte viel in goede aarde en schoot welig op''. Dan is er nog sprake van ,,vogelen des hemels'', die beletten het zaad tot wasdom te komen.
In enkele sobere vormen, die het verhaal meer symboliseren dan dat zij er een illustratie van zijn, is de compositie ontstaan. Maar dominerend, zonder het evenwicht hinderlijk te verstoren, rijst de figuur van de zaaier op. Een expressieve, levende, menselijke figuur van c.a 4.50 m hoog, die de gehele compositie meteen uitheft boven een oplossing met louter symbolen.
Ik zou geen beter woonplaats weten voor deze eenzame, dramatische zaaier. De Noord-Oostpolder, die één van de monumenten vormt voor een geest van keiharde onverzettelijkheid. Deze zaaier hoort niet alleen bij de kerk, maar bij het gehele landschap. Als daar de Novemberstormen over het land gaan, en ook de huizen en de kerk donkernat van regen onder een wijde, grijze hemel staan, zal het juiste reliëf aan deze figuur verleend worden.
Een subjectieve en wellicht wat romantische associatie bij het zien van dit mozaïek; maar intussen mogen wij ons verheugen over deze aanwinst, en er de bewoners van Ens mee feliciteren. Een andere vorm dan baksteen-mozaïek, wat nu eenmaal veel harder, veel meer gebeeldhouwd is dan b.v. sgraffito en tegelijk zo prachtig samengaat in materie en kleur met baksteenwand, zou zeker niet te verkiezen zijn geweest.
En dan zijn enkele onvolkomenheden in de uitvoering graag vergeven. Het zou b.v. beter zijn geweest wanneer de voegen die langs de vormen gaan, en hier en daar gaan werken als een opzettelijk gewilde contour, minder nadrukkelijk waren geweest. Aan de andere kant gaat in een paar vogelkoppen de vorm wat te veel verloren in het omringende. Maar het is de vraag of niet juist deze tekorten hoewel dan ongewild, bijdragen tot de menselijkheid in de expressie van dit mozaïek.
Ook voor de ramen der kerk ontwierp Hendriks symbolische motieven, ontleend aan het Scheppingsverhaal, die de functionele betekenis kregen het licht te breken en samen met het wandkleed achter de kansel, eveneens door hem ontworpen, bijdragen tot die stemming van wijding, waarin het kerkinterieur zich onderscheidt van andere ruimten.
Van een heel andere orde dan het mozaïek is dit wandkleed. Het is van veel koeler, minder emotioneel en m.i. ook minder expressief gehalte. Natuurlijk speelt het materiaal een grote rol, maar bovenal kan men het onderwerp, het begin van het Johannesevangelie, niet dan met grote schroom benaderen. Het is wellicht de hoogste opgave die men zich als kunstenaar gesteld kan zien, een dergelijk gegeven zo abstract en van de aarde ontheven, gestalte te geven. De kansen zijn legio dat men bij een aesthetische oplossing belandt. Wanneer men ervaart dat het wandkleed in expressie ten achter blijft bij het mozaïek, hoeft dit dan ook geen critiek te betekenen, of het moest zijn een critiek op hoog niveau. Het is prachtig van kleur en materiaalkeuze. Vooral als men als ingewijde weet, dat de middelen beperkt waren, kan men de verdienste begrijpen. Het heeft bovendien als achtergrond voor de bedienaar van het Woord een zeer zinvolle betekenis. Links wordt door een hand Gods die het spreekgebaar maakt de aanhef: ,,In den beginne was het Woord en het Woord was bij God'' aangeduid. Het licht, de duisternis en het vleesgeworden Woord zijn door symbolische vormen, die men ook in de ramen terug vindt, en door het oude symbool van het lam Gods aan de rechterzijde aangeduid.
,,Het Woord'' dus. Ook het van de kansel gesproken woord, dat in de practijk ,,onder de mensen'' komt, vormt in deze kerkruimte het middelpunt en is ook door dit wandkleed zinvol samengevat in zijn onderscheiden betekenissen.

Met veel begrip voor de ruimte en de beperkte mogelijkheden heeft Harry Op de Laak de ramen in de nieuwe kerk van architect Prof. F.A. Eschauzier c.s. te Oosterbeek ornamentaal versierd. Vooral de beide ramenlinks en rechts van de absis zetten prachtig de rhytmische werking van de achterwand en rechter zijwand voort. Deze wanden, die in een patroon zijn van poriso-steen en witte acoustische tegels, in een af en toe onderbroken regelmaat, brengt een zekere rhytmische trilling teweeg, die in de ramen op een ander motief, lichtblauw fond met witte cirkels, wordt voortgezet. De drie ramen tegenover de absis heeft hij voorzien met symbolische motieven in gezandstraald glas. evenals de symbolische figuren op de ramen in de kerk te Ens, hebben ook deze raamversieringen in hoofdzaak de functie de raamvlakken te verlevendigen. Gekleurd glas of anderszins zou hier zeker niet gewenst zijn.
Na gevoelens van bewondering bij het betreden van deze indrukwekkende ruimte kon ik toch niet ontkomen aan een gewaarwording van onbevredigd zijn. Het enorme witte vlak, de achterwand van de absis, is als een onbeschreven vel papier dat uitnodigend wacht op degene, die dàt te zeggen heeft, wat nergens beter dan in deze kerk gezegd kan worden. Deze mooie ruimte is het waard dat er gezocht wordt naar de beste oplossing. Een oplossing zodanig, dat hier een hart gaat kloppen en het geheel tot leven wekt.
Of de tekening, die in het voorportaaltje geëxposeerd is en heel summier een figuur van de Goede Herder aanduidt, een ontwerp is voor de beschildering van de absis, weet ik niet. Het zou echter te betreuren zijn, wanneer men het niet verder kon brengen dan wat dit ontwerp doet vermoeden.



Forum
Nummer 11, 1956


Wandschilders en architect
Naar aanleiding van de tentoonstelling ,,Wandschilders experimenteren'' schreef mijn collega Spruit een artikel in ,,Palaestra'', waaruit hier nog enkele opmerkingen volgen:
,,Niettemin is deze tentoonstelling (in 1948) belangrijk geweest; ten eerste, omdat door gebrek aan opdrachtgevers men niet met uitingen op dit gebied in contact komt en ten tweede, omdat we ons, naar aanleiding van het daar gepresenteerde werk, gaan afvragen of de wandschilderkunst in onze tijd werkelijk reden van bestaan zal hebben, en in welke vorm deze zich zal moeten ontplooien''.
,,Wat betreft het aandeel van de architecten op deze tentoonstelling, ontkomt men niet aan de indruk dat de bemoeienis niet verder is gegaan dan tot het beschikbaar stellen van enige projecten zonder meer, waarvan bij beschouwing van vele daarvan de vraag rijst of het de moeite van beschilderen waard was''.
,,Men zal niet kunnen beweren dat de wandschilderkunst tot bloei zal geraken door het ter beschikking stellen van wanden van allerlei soorten van ruimte, die om de een of andere reden ,,vacant'' zijn, en aan de hand van voorbeelden van wandschilderkunst uit vroeger tijd ziet men dat het niet deze reden geweest is, die het wandschilderen tot een monumentale kunst heeft doen uitgroeien.''
,,Deze voorbeelden tonen duidelijk hoe door juiste toepassing de wandschilderingen en mozaïeken de architectonische waarden dienden en veredelden en door hun geaardheid en functie in de samenleving van die tijd een magische werking uitoefenden.''
,,En hoe schoon zijn niet de voorbeelden, waar alleen door toepassing van ornamentale schildering de architectuur verrijkt en in haar vormenspraak ondersteund werd.''

Sindsdien zijn acht jaar verlopen.
Architecten hebben de toverformule geleerd.
De geesten zijn losgemaakt.
De opdrachten vloeien in ongekende mate.
Het is een belangrijke verdienste van de tegenwoordige Rijksbouwmeester, dat op begrotingen van Rijkswerken bedragen gesteld zijn voor toegepaste kunst.
Als gevolg van al deze activiteit zijn belangrijke opdrachten verleend, werken zijn gereedgekomen en vele nog onderweg. Het ijzer is heet. De velden zijn wit. Wandschilders, dit is uw tijd!
Om na te gaan wat er terecht is gekomen van de hoge bedoeling, ,,het dienen van de architectonische waarden, het door vormenspraak ondersteunen van de architectuur'', zou doorlichting van al deze gereedgekomen werken moeten plaats vinden.
Daartoe kan de tentoonstelling, naar aanleiding waarvan dit nummer van ,,Forum'' verschijnt, dienen. Maar dit artikel wordt geschreven in onbekendheid met het te exposeren werk en ik pretendeer niet op de hoogte te zijn van alles, wat zich in dit vlak afspeelt. Daarom ook zult u een wapenschouw, een generale inspectie met analyse en bundeling van gedachten niet van mij mogen verwachten.
Er is echter één ding dat aanleiding geeft toch iets te zeggen.
Dat is dan over de eigen ervaring t.a.v. doel, middelen en resultaat van enkele uitgevoerde werken, waar ik zelf bij betrokken was of die ik dicht naast mij zag gebeuren.

Het begon in Ens.
De kerk van Ens ligt op een flink dorpsplein. Voor de ingang van de kerk is door schikking van het bijgebouw en de consistorie een half open pleintje ontstaan, dat het karakter van binnenplaats begint te naderen, een karakter van ruimtelijke inleiding tot de kerkruimte zelf.
Het is om dit karakter te betonen dat de hulp van de wandschilder werd ingeroepen.
Wij - dat zijn de wandschilder en de architect - meenden, dat door een meer speelse wijze van uitvoering in de gekozen techniek (het metselen) een verrijking van deze wad zou worden bereikt, die bij het voorpleintje passend zou zijn.
Het zijn eenvoudige middelen om dat te doen, men kan, al metselend, b.v. om een bepaald aantal lagen een dikkere steen verwerken, of een gekleurde, enz. Het maken van een vrije voorstelling zat ons daarbij niet voor.
Het eerste ontwerp voor een zodanige wandbehandeling hield een grote vlakverdeling in, die ergens in een voorstelling culmineerde.
Ik geloof dat ik als architect de grootheid van het voorstel heb onderkend, maar me wild geschrokken ben bij de gedachte aan de consequenties, die dit voor de uitvoering meebracht.
Een aannemelijke, voor de hand liggende uitvoering is toen noch door mij, noch door de wandschilder gezien.
Men zou kunnen concluderen dat een ontwerp, waarvan de uitvoering niet was voorzien een slecht ontwerp moet zijn geweest, maar de tijd heeft geleerd dat de wandschilder intuïtief niet ver heeft misgetast. Wij schoten in concretisering tekort.
Het eind van het lid was, dat in Ens tenslotte een paar vakken half-steenswerk werden gespaard in de muur die constructief noodzakelijk moest worden opgetrokken met het overige werk. Later zijn in deze muur dan de voorstellingen in baksteenmozaïek gemaakt, die uitsluitend de voorstelling behelsde, en toen het geheel gereed was vormde het daarmee niet die eenheid, die uit technisch en architectonisch oogpunt was bedoeld.

In Huizen zijn de vruchten geplukt van de ervaringen in Ens.
Er zijn situaties, waarin gebouwen moeten worden geplaatst, die qua schaal te groot zijn t.a.v. de reeds aanwezige bouwsels.
Het dienstgebouw van de Ned. Herv. Kerk in Huizen staat aan een woonstraatje met vrijstaande eengezinshuizen.
Het gebouw werd zo ver mogelijk achter de rooilijn geplaatst. Maar de 50 m lange en tamelijk hoge gevel was in deze situatie een vrij moeilijk geval.
Toen we ons dit bewust waren stelden wij ons als doel de gevel aan de woonstraat zó te behandelen dat zij leesbaar, waarneembaar zou worden vanuit de beperkte voorruimte, die straat en voortuin vormen.
Opnieuw werd besloten tot het uitgangspunt van Ens, maar te streven naar een behandeling vanuit de techniek ,,van de man op de steiger''. Voor de horizontale maatindeling werd de travee van het gebouw aangehouden, voor de verticale leken ons zes lagen ,,leesbaar''.
In deze zin ligt aan de gevel van Huizen een stramien ten grondslag, waarop de vlakindeling is gecomponeerd.
Dat deze tenslotte een hoogtepunt vindt in een vrijere behandeling en eindigt met de voorstelling van een onderwerp boven de hoofdingang, acht ik een verantwoord middel tot duiding van deze ingang.
Wij zijn ervan overtuigd dat in Huizen is gelukt, wat in Ens niet bereikt kon worden.
Verder maakten wij in Huizen ons eerste glas-in-beton.
De architect bepaalt of een noodzakelijke doorbreking van de ruimte (voor lichttoetreding b.v.) tevens een relatie met de buitenruimte moet bewerkstelligen, en in welke mate.
Is dat niet gewenst, dan is er gerede aanleiding een wandschilder te vragen het raam te behandelen onder vermelding wat er t.a.v. de ruimte van wordt verwacht.
Na deze behandeling werd in Huizen besloten tot glas-in-beton voor het grote halraam, waarin tevens een voorstelling zou zijn van....... nou ja, voor de ruimte is die voorstelling niet belangrijk, wel voor de mensen, die het gebouw gebruiken en het raam op zichzelf bezien en dan een verhaal lezen.
Overigens heeft de wandschilder hier tot de ruimte in een duidelijke omgrenzing zijn taak vervuld. Het komt mij bovendien voor een fraai raam te zijn.
En de technische ervaringen hierbij opgedaan, zijn de wandschilder zeker te stade gekomen bij de uitvoering van de grote glas-in-beton wanden van de Koningskerk in Amsterdam-Oost, een werk, waarvan ik het verhaal gaarne bij een volgende gelegenheid aan Van de Kuilen, de ontwerper van deze kerk, overlaat.
Dit zijn dan enkele ervaringen, waaraan ik geen algemene conclusies verbind.
Wij zijn doende met sgraffitto en nog weer glas-in-beton wanden, waarbij steeds weer speelt wáár, wannéér en hóe is de wandschilderkunst het voortgezette doen in de architectuur, in de ruimtebepaling, en bij alles wat wij daaromtrent zelf ervaren hebben en rondom ons zien afspelen, koesteren wij twee wensen.
Eén betreft de architecten: de formule om tot de opdracht te komen is gevonden. Rust niet totdat u ook de formule kent, die haar eventueel moet bezweren.
En de wandschilders: niet het feit dat er een opdracht verleend wordt duidt de noodzaak van uw inzet.
Ken Uw verantwoordelijkheid t.a.v. de schone kunst en geef u slechts daar, waar uw bijdrage aan de architectuur, het onlosmakelijke verband ermee, duidelijk kan worden gesteld.

Chr. Nielsen